Stadsmuseum Vollenhove

Stadsmuseum Vollenhove

Werkgroep Agrarisch Erfgoed

Startpagina Boerderijen Zoekresultaat

Zoekresultaat:    Sint Jansklooster   (in veld: Plaats)     

Aantal gevonden objecten : 20   (uit: 20)


Uitgebreid zoeken
Gesorteerd op:  Recordnummer

Klik op object voor vergroting en meer informatie

1. Recordnummer: 0001  

Schaarweg 08 -- Sint Jansklooster          
In 1903 laat Hendrik Harmszn van der Linde een boerderij met stookhok bouwen op een weiland “op de Zuurbekerkamp” dat hij een paar jaar eerder kocht van koopman Jacob Meursinge. Zijn drie zusters (Geertje, Grietje en Hendrikje) waren voor de helft mede-eigenaar. Blijkbaar hielp de jonge Jan Willem Overweg met schilderen, want op een wand kwam zijn trotse handtekening tevoorschijn: “J.W. Overweg, 1903, 16 jaar”. Op foto 2 staat het huis vermeld op de militaire topografische kaart van 1918.
Foto 3 laat zien hoe het huis oorspronkelijk in elkaar zat: Twee kamers gescheiden (beide met bedsteden aan de kant van de deel, woonkamer met schouw) gescheiden door de gang naar de voordeur. In de gang werden later ook bedsteden gemaakt (de voordeur werd toch haast nooit gebruikt). De kamer die rechts als “keuken” staat afgebeeld, was vroeger geen kamer maar twee bedsteden (zie foto 4) met daaronder de kelder met de ingang op de deel. Waarschijnlijk zijn deze bedsteden later verplaatst naar de woonkamer, waarvan de achterwand toen een meter achteruit werd gezet.

De schuur heeft aan de oostzijde twee stel baanderdeuren (zie foto 1). Direct naast de voorste deeldeur was de paardenstal, in het midden de hooitas en in de zijbeuk aan de westkant de koestal met mestdeurtjes (zie foto 5). Aan de achterzijde waren de varkensstallen met mestdeurtjes. Later bouwde iemand boven de varkenshokken een zolder voor de kippen.

In 1938 koopt Jan Albertszn Weijs, die getrouwd was met Geertje Hendriks van der Linde, de boerderij. Na Jan’s dood in 1954 erven Geertje en haar vijf kinderen de boerderij. Na de dood van Geertje bleven Jansje Weijs en haar broer Hendrik hier wonen. Gergje was toen al verhuisd naar Leeuwte 10. Hendrik overleed in 1973, Jansje in 1994.

In 1995 koopt Evert B. Spans de boerderij en laat deze flink verbouwen, waarbij o.a. de bedsteden worden verplaats naar de nieuwe hal, de kelder, gang en het stookhok sneuvelen en er nieuwe kamers op de deel en op zolder bijkomen. De in de zestiger jaren geplaatste ramen in de keuken (voormalige bedsteden) in voor- en zijgevel (zie foto 6) werden met goed gevoel voor de originele maatvoering aangepast (vergelijk met foto 1).


 

2. Recordnummer: 0002  
[Erve] Oud-Schuilenburg
Kadoelen 25 -- Sint Jansklooster          
Volgens Dr. Jochem Kroes zou Oud Schuilenburg vroeger “het Beersgoed” geheten hebben. Die boerderij werd in het Zijlboek van 1449 al genoemd.
De huidige boerderij zou naar verluidt 1723 als bouwjaar hebben.

Uit een akte van boedelscheiding uit 1746 blijkt dat Oud Schuilenburg toen in het bezit kwam van Margaretha Adr. Is. Sloet. Het is waarschijnlijk dat de boerderij al langer in het bezit van de familie Sloet was.
Het kadaster bestaat vanaf 1832 en noemt Arriën Alberts Rook (die getrouwd was met Jacobje Keesen Post) als de toenmalige eigenaar van de boerderij. Maar er wordt bij vermeld dat zoon Cornelis Arriëns Rook toen al de bedrijfsvoerder was.
In 1845 werd Cornelis eigenaar van de boerderij (samen met z’n zuster Jentjen en haar man Harm Kisjes). Hij trouwde met Femmigje Everts van Benthem en kreeg met haar 11 kinderen. Na haar overlijden hertrouwde hij met Vrouwtje Wolters Bruintjes, de verloofde van zijn zoon Albert. Dit veroorzaakte een enorm conflict met Albert en de andere kinderen van Femmigje. Uit het tweede huwelijk kwamen er nog 9 kinderen.
Cornelis is bekend gebleven omdat hij één van de leiders van de Afscheiding in Het Land van Vollenhove was en in 1858 een kerk voor de Afgescheidenen liet bouwen op zijn land op de hoek van de Kadoelen en Bergkampen.
Na het overlijden van Cornelis in 1894 kwam een deel van het land gelijk al op naam van zoon Evert (toen hij geboren werd, was z’n vader al 66 jaar oud!) en de rest zou later volgen, maar het huis werd pas in 1911 zijn eigendom nadat hij in 1907 getrouwd was met Elizabeth Franken. Samen kregen ze twaalf kinderen waarvan er tien in leven bleven (zie foto 3).
Na het overlijden van Evert in 1960 bleef Elizabeth het vruchtgebruik van de boerderij houden en stond ze als “landbouwster” geregistreerd. Dochter Betsie met haar man Cor Been kwamen bij haar op de boerderij wonen (zie foto 4) en gingen daar ook boeren, evenals zoon Cornelis (Kees) Rook (zie foto 5). Ze hadden ieder hun eigen melkbussen en zo stonden er toen drie soorten melk aan de weg. In 1970 werd de vervallen schuur nog herbouwd als stalling/garage en machine berging.
Elisabeth overleed in 1977, waarna de boerderij in 1978 bij inschrijving werd verkocht aan Gerrit Talen uit Staphorst samen met een drietal andere koopmannen (zie de advertentie in foto 6). Cor en Betsie Been verhuisden toen naar het huis met varkensschuur dat zij kort voor het overlijden van Elisabeth hadden gebouwd op de naastgelegen kavel waar voorheen boerderij Cremerink stond (die werd tijdens de ruilverkaveling afgebroken). Gerrit Talen en consorten verkochten in 1980 het huis door aan Marianna Bos (moderedactrice) en Jacob Vissering (journalist). Deze zijn met het verbouwen begonnen en hebben ook het erf in grote lijnen heringericht.
De boerderij is daarna verkocht aan Theo (graficus) en Elly Duin. Zij hebben de meeste verbouwingen verricht o.a. het schilderwerk in oude kleuren hersteld, de bouw van een keuken en van slaapkamers boven. Ze hebben ook de laan met vnl. eiken beplant en de boomgaard met oude rassen aangelegd.
In 1996 kochten Johan (journalist/redacteur) en Marja ten Hove-Rodenburg (letterkundige) het pand. Ze hebben het rieten dak laten vernieuwen en op de deel een boekenkamer laten bouwen.
Oud Schuilenburg is een rijksmonument (ID: 10576) dat als volgt omschreven wordt: “Boerderij met bakstenen puntgevel met vlechtingen en schoorsteen in de top. Bedrijfsgedeelte met rechte noklijn en sterk omhoog gebracht dak boven de zijbaander”.

De heer Evert Rook (kleinzoon van Evert Rook en Elisabeth Franken, zoon van Kees Rook) schetste de situatie rond 1960 als weergegeven op de plattegrond op foto 7. Het lijkt erop dat het oorspronkelijk een driebeukig hallehuis was met middendeel en baanderdeuren in de achtergevel. Op een gegeven moment had men meer ruimte nodig voor opslag van het hooi , stalruimte en de ros-/karnmolen. Toen werd de boerderij verlengd en kwamen er baanderdeuren in de zijgevel (zie foto 8 en 9). De nieuwe dwarsdeel lag toen tussen het oude en nieuwe stuk van de schuur. Helemaal achteraan lagen zowel links als rechts lagere zijdeuren (zie foto 9 en 10). Later zouden er stalruimtes voor deze deuren worden gemaakt (zie plattegrond foto 7). Langs de noord-oost gevel en tegen de achterwand waren stallen voor het melkvee. Inn de achtergevel zitten nog mestdeurtjes, die wellicht vroeger ook in de noord-oost gevel zaten, maar daar later vervangen werden door raampjes). Rechts naast de grote baander deuren waren hokken voor de kalveren en de varkens. Links naast die deuren stallen voor de paarden en het jongvee. De hooivakken waren midden in de schuur voor en achter de dwarsdeel. Achter de boerderij stond een hooiberg en een wagenschuur (zie foto 11).

Het voorhuis (zie plattegrond foto 7) kende in de noord-oostzijbeuk een kelder met tongewelf en daarboven een opkamer en een bedstee, daarnaast een gang, waarin ook gekookt werd, met de voordeur en de toegang naar de kelder. In het midden de grote kamer met schouw en drie bedsteden tegen de achterwand. In de andere zijbeuk was een tweede kamer met bedstee en kast. Aan die zijde ook een aangebouwd bakhuisje met kookpot bereikbaar van af de deel. De spoelruimte met pomp was op de deel naast de kelder. Hier was ook een deur naar buiten (en de gebruikelijke toegangsdeur).
 

3. Recordnummer: 0004  
[Erve] de Kelder; Huys ten Kelre
Leeuwte 39 -- Sint Jansklooster          
Boerderij Erve de Kelder werd in de eerste helft van de 18de eeuw gebouwd als een hallehuis met middenlangsdeel. Het bedrijfsgedeelte was toen 11 meter korter en 1,5 meter smaller dan tegenwoordig. Maar op deze plek hebben eerdere versies van de boerderij gestaan, blijkens een vermelding in het dijkregister van 1363.

Baron Lodewijk Arend Sloet, heer van Plattenburg, verkocht in 1780 een erf en goed in de Leeuwte genaamd Erve Kelder voor f 3700 aan Claas Jans van der Linde. Claas overleed in 1792, zijn weduwe Neeltje Jans Belt hertrouwde met Evert Dirks ten Napel. Zoon Dirk zette het bedrijf voort (met broer Klaas als medeeigenaar).Toen de hoeveelheid hooi en vee begin 19de eeuw toenam voegde men (vóór 1825) een dwarsschuur toe met daarin hooivakken, een met paard aangedreven karnmolen en wat stalruimte (zie foto 2). De schuurdeuren werden aan de voorzijde van de aangebouwde schuur geplaatst.

Dirk werd in 1842 opgevolgd door zoon Evert (aanvankelijk nog met oom Klaas als medeeigenaar). Evert is waarschijnlijk degene geweest die de boerderij verlengde en verbreedde. Het oostelijke deel van het voorhuis [zie foto 1 linkerzijde] was na de verbreding waarschijnlijk in gebruik voor de inwonende ouder(s), gezien de eigen ingang en haard en schoorsteen van dat stuk. In 1866 neemt Evert Hendriks ten Napel de boerderij over.

In 1887 is de beurt aan Hendrik Everts Ten Napel en zijn vrouw Femmigje Rook (later "Olde Femme" genoemd)(zie foto 3, let ook op de roedenindeling van de ramen). De aangebouwde hooischuur werd rond 1911 weer gesloopt, waarna de deuren in de zijgevel geplaatst werden op de plek waar eerst de doorgang naar de zijschuur zat waardoor een dwarsdeel ontstond (zie foto 4). Daarnaast kwam op de voormalige middenlangsdeel een potstal en daarachter een hooivak. De deuren in de achterzijde werden verwijderd, waardoor daar ruimte ontstond voor een koestal (grupstal) (zie plattegrond foto 5 en foto 6). Aan de oostzijde van de boerderij werden toen varkenstallen gemaakt en mestluiken in de zijmuur aangebracht (zie foto 4). Die twee feiten lijken erop te wijzen dat de bewoners zich wat meer gingen richten op varkens, wat in die dagen een lucratieve business was. Daardoor was er ook minder ruimte voor hooiopslag nodig en ook de karnmolen was met de komst van de melkfabriek begin 20ste eeuw overbodig geworden.

Als "Olde Femme" in 1941 overlijdt erft Femmigje ten Napel, getrouwd met Hendrik Jan van der Linde, de boerderij (die er waarschijnlijk toen zo uitzag als op foto 7) en wonen daar samen met vader Hendrik tot zijn dood én met het gezin van Jan de Snor, die in het kader van de ruilverkaveling een nieuwe plek zou vinden aan de Uitterdijkerweg.

In 1967 worden Leendert van der Linde en Grietje ten Napel de nieuwe eigenaren van de boerderij. Zioj woonden vanaf 1949 al in een noodwoning tegenover de boerderij. Leendert zou in 1973 overlijden; Moeder Grietje bleef daar tot haar dood in 1998 wonen.
In 1998 werd zoon Wim van der Linden de nieuwe eigenaar en in 2000 liet hij de boerderij geheel restaureren.

Noot over de naam: Lange tijd bestond er verwarring over de oorspronkelijke naam van deze boerderij, omdat de veldnaam van een perceel land dat bij Erve de Kelder behoorde verwees naar ‘Klosserts Erve’. Dat bleek een andere boerderij te zijn geweest, die vroeger toebehoorde aan het Convent Clarenberg en het Sint Antoniegasthuis. Deze boerderij was in de loop van de 18de eeuw afgebroken. In 1793 kocht Evert Dirks ten Napel, die toen nog maar net op Erve Kelder woonde, het bijbehorende land van barones Sloet tot Lindenhorst en van de Geestelijkheid van Vollenhove, die elk de helft bezaten. De percelen hoorden sindsdien bij Erve de Kelder. En waarom heet het huis nu Huys ten Kelre? De huidige eigenaar van de boerderij wijzigde de naam een beetje aan om deze beter te laten passen bij een aanvraag voor landgoedsubsidie voor herstel van de boomgaarden, windsingels, poelen, houtwallen en bosjes, die in de ruilverkaveling waren verwijderd. Maar helemaal verzonnen is deze naam niet want in oude stukken wordt de boerderij ook wel "ten Kelre" genoemd. Het zou kunnen zijn dat de naam Kelder of Kelre verwijst naar een vroegere herberg op deze plek (Verdam, Middelnederlands handwoordenboek).
 

4. Recordnummer: 0005  
de Clufte
Leeuwte 45 -- Sint Jansklooster          
De achterste delen van de boerderij “De Clufte”, vormden vroeger de zijschuur van de naastgelegen “Erve op den Hoek” [zie record Leeuwte 43]. Die boerderij werd ook wel ‘Middachten’ genoemd, naar de adellijke eigenaren van de hoeve in de periode eind 18de tot midden 19de eeuw. Begin 19e eeuw -vóór 1825- werd aan Erve op den Hoek een zijschuur gebouwd om meer ruimte te creëren voor de rosmolen, de hooiopslag en de stalling van het vee.

In 1846 verkochten de erven van Reint Willem van Middachten Erve Op den Hoek aan Evert Lok, die in 1872 een stenen voorhuis voor de zijschuur bouwde, om meer woonruimte te creëren voor zijn gehuwde kinderen. Daardoor ontstond de situatie zoals op foto 2: de oude boerderij bovenaan horizontaal, de zijschuur vertikaal en het nieuwe huis linksonder.

Toen Evert Lok in 1878 overleed, erfden zoon Klaas Lok en diens vrouw Jentje Lucasen Apperlo Erve Op den Hoek: ‘het oude huis zoals dat vroeger door erflater werd bewoond en gebruikt’ (nu no 43). Maar ‘het voor enige jaren bijgebouwde nieuwe gedeelte met de dwarsbalken’ [de zijschuur, nu no 45] werd verkocht aan Jan Dragt en Jan Hermens Post maar Klaas z'n dochter Jantje Lok en haar echtgenoot Siemen van der Linde bleven er nog wonen.

In 1886 ging dit deel van de boerderij over naar Wolter Jans Post en Neeltje Jans van der Linde en in 1892 naar Albert Stoffelzn Weijs. In 1911 werd Hendrik Gerrit van Dalen hier boer. Toen werd een deel van de zijschuur afgebroken, waardoor de twee boerderijen nu los naast elkaar kwamen te staan (zie foto 3 en foto 6). Waarschijnlijk gebeurde dit omdat er minder ruimte nodig was voor de karnmolen nu de melkfabriek het boter maken had overgenomen van de boerin en het opkomende inkuilen en krachtvoer leidde tot minder hooiopslag. Boerderij de Clufte zag er toen zo uit als op foto 4: het hoge scheefstaande deel is de oude zijschuur, het lagere voorste deel rechts is het 1872 gebouwde voorhuis.

In 1920 kocht Evert Klaaszn van Benthem de boerderij, die deze al snel (1924) overdeed aan Hendrik Dirkzn Winters en zijn vrouw Lammigje Lok. In 1933 kwam hun dochter Marrigje met haar man Willem van der Linde op de boerderij.
In die jaren stonden de koeien in een grupstal tegen de achterwand van de boerderij met mestdeuren in de achterwand. Direct achter de stal was buiten een kleine gierput, waar de grup op uitliep. Het hooi werd tussen het gebinte opgetast. Het voorste stuk van de deel tegen het woonhuis aan was afgeschermd met een houten schut. Hier was de put en de karn- en spoelplek en een slaapplaats voor de knecht. De varkenshokken lagen aan de westkant van de baanderdeuren en de paardenstal daarachter. Onder het oostelijke deel van het voorhuis is een kelder, die vanuit de deel bereikbaar was. Daarboven waren bedsteden. In het midden de pronkkamer met schouw. Aan de westkant de woonkeuken.

Na de Tweede Wereldoorlog werd het steeds moeilijker om als kleine boer een belegde boterham te verdienen.
In 1949 vertrokken Willem van der Linde en Margje Winters met hun kinderen naar Ontario in Canada. Dochter Wilhelmina Winters en haar man Evert Jan Lubbertszn van Benthem, kwamen toen op de boerderij (zie foto 5). Hij verkocht de boerderij en het land in 1967 aan Stichting Beheer Landbouwgronden, die de boerderij en grond doorgaven aan de Vereniging Natuurmonumenten. De koopsom gebruikte Evert Jan als aanbetaling op de nieuwe boerderij die hij in het kader van de ruilverkaveling zou laten bouwen. Zie foto 6 voor straatbeeld uit die tijd.

Na een tijd van leegstand deed de boerderij een paar jaar dienst als creatief centrum, waar het de naam ‘de Clufte’ aan te danken heeft. De boerderij werd in 1987 verkocht aan Hans Moritz en Gerrie Weijs die er een woonhuis van maakten. In 2000 namen de huidige beoners deze prachtige woning over (zie foto 1 en 7).
 

5. Recordnummer: 0006  
[Erve] Wildinge
Leeuwte 51 -- Sint Jansklooster          
Volgens bouwijzers in de voorgevel is deze boerderij van 1792. De boerderij heeft de status van rijksmonument (# 10580).

De boerderij staat met de kop naar het Leeuwterveld en de achterkant naar de weg. De boerderij heeft aan de westzijde twee zijbaanders met het dak hoog opgelicht (zie foto 5: plattegrond). Boven de dwarsdeel is een slietenzolder voor opslag van ongedorst graan. Aan de oostzijde is een grupstal voor het melkvee met (waarschijnlijk) daarboven zoldertjes (hilden). De mestluiken zijn zichtbaar op foto 4. Aan de achterzijde is een stal voor het jongvee en de paarden. Aan westzijde is later een knechtenwoning ingebouwd (gemetseld in steen) en aan de andere kant is een afscheiding in hout wat waarschijnlijk de vroegere melk/spoelkamer is geweest (en later een badkamer). In het midden is een trap naar de zolder. De deel was deels in leem en deels in klinkers uitgevoerd. Het hooivak lag in het midden van de deel, waar men twee ankerbalken verwijderde om makkelijker hoger op te tasten!.
Het voorhuis had aan de westzijde twee opkamers boven een kelder met tongewelf (zie foto 6) die toegankelijk was vanaf de deel. In het midden lag de pronkkamer met schouw, een driekwartronde hoekkast en een gedecoreerd gestuct plafond. Aan de oostzijde naast gang was de (woon-) keuken met bedstee en kastruimte (zie foto 8).

In 1832 was de boerderij van Marrigje T. Beldt, de weduwe van Teunis Drok, die als beroep landbouwer meekrijgt dus blijkbaar zelf de boerderij beheert. In 1853 erft haar zoon Jan Teuniszn Belt (nu zonder d!) de boerderij.

In 1867 komt de boerderij in bezit van Klaasje van der Linde, weduwe van Stoffer Weijs. In 1893 vervalt de boerderij aan zoon Herman Stofferszn Weijs.
In 1900 wordt de boerderij verbouwd/vergroot.

In 1925 erven Trijntje Spans (de tweede weduwe van Herman S. Weijs) samen met de kinderen Stoffel, Klaasje en Maria de boerderij. In 1927 sterft moeder Trijntje en Stoffel Hermansz Weijs neemt de boerderij over met de zussen als mede-eigenaren, die in 1930 uitgekocht worden.

Na de dood van Stoffel Hermanszn Weijs in 1947 worden zijn vrouw Niesje Beerends Spans en de kinderen Herman en Berend de eigenaren. Herman wordt boer en trouwt met Vrouwkje ten Napel (Berend zou later directeur van een land en tuinbouwschool in Maasland worden). In 1979 komt de boerderij op naam van Herman alleen. Herman had gymnasium gedaan en sprak ook graag frans met je als hij in de gaten kreeg dat je dat verstond (en ook wel gewoon om indruk te maken).

In 2005 koopt A. Dekens uit Urk de boerderij en wordt de boerderij geheel gerestaureerd en intern grondig verbouwd en gemoderniseerd met behoud van de karakteristieke elementen. Hij gebruikte de boerderij als tweede woning. Hij heeft nog een tijd zaterdags in de -in 2011 gebouwde- "garage plus dierenverblijf" vis gebakken en verkocht, maar daar trad de gemeente al snel tegen op. Dat dierenverblijf (voor de steeds ontsnappende damherten van Dhr. Dekens) verving trouwens de houten hokken voor de schapen van A. Schurink (zonder beroep uit Vollenhove) die deze hier in 1974 bouwde, omdat z'n broer -waar die schapen voorheen liepen- die beesten niet langer daar wilde hebben.

Vanaf 2019 tot 2022 was hier het yoga- en retraite-centrum van Slot-Zentrum gevestigd.
 

6. Recordnummer: 0007  
[Erve] de Linde
Leeuwte 55 -- Sint Jansklooster          
.

Op het Ambt van Vollenhove hebben al eeuwenlang enige boerderijen de naam van een boom of hof, zoals Hulsebos, Ten Berken, Eikelhof en Appelhof. Volgens de administratie van het oud-archief van het waterschap Vollenhove droeg de boerderij al in 1696 de naam De Linde. Ze is dan eigendom van Rutger Zwier van Haersolte, heer van Toutenburg. Deze blijkt een aantal jaren later zoveel schulden te hebben dat hij in 1716 de boerderij de Linde verkoopt aan de weduwe van Claes Hermensz die een paar jaar eerder was overleden en deze boerderij al langer pachtte.
De achternaam Van der Linde wordt voor het eerst genoemd in de akte van het huwelijk van hun dochter Tijmentje Klaassens van der Linde in 1718 met de Blokzijler schoolmeester Frans Keeman. De naam van de boerderij was blijkbaar opgenomen in de naam van de eigenaren daarvan, iets wat wel vaker voorkwam in die tijd. Maar er is ook een andere theorie die zegt dat de familienaam verband houdt met het riviertje de Linde, in de buurt van Kuinre en Oldemarkt.
In de 18de eeuw zouden de Van Haersoltes nog weer enige tientallen jaren eigenaar van deze boerderij zijn.

Boerderijhistoricus Klaas Uilkema bezocht in 1924 boerderij ‘de Linde’, toen J. van der Linde de boerderij bewoonde. Uilkema geeft aan dat dit oorspronkelijk een hallehuis was met de deeldeuren in de achtergevel, aan de wegkant, aan het einde van de middenlangsdeel
Maar eind 18de eeuw (meer dan een eeuw eerder dus) werd er aan het hallehuis een zijschuur aangebouwd voor hooiopslag en de rosmolen [zie het vierkant op foto 4: de plattegrond].

Bij de invoering van het kadaster in 1832 was veehouder Hendrik Klaassens van der Linde eigenaar van twee boerderijen: de later afgebroken boerderij op Leeuwte 41 tussen Erve de Kelder en de Duinweg -destijds waarschijnlijk ’t Laar of Oosterhout geheten en later in bezit van de familie Kruse- en de familieboerderij De Linde (Leeuwte 55) met in totaal ca 22 ha land, bestaande uit bouwland, weiland en hooiland.

Zoon Luite zou het bestieren van de boerderij overnemen, maar na zijn vaders dood bleef zijn moerder (Annigje Siemans Klaver) eigenaar van de boerderij tot zij overleed in 1889 en de boel werd verdeeld tussen Geertjen van Dalen (de weduwe van Lute) en wel 18 erfgenamen.

De eind 18e eeuw aangebouwde zijschuur werd in 1903 weer afgebroken, toen er minder ruimte nodig was door de komst van de melkfabriek (rosmolen en karn konden weg). De hooistapel kreeg toen een plaats op de voorheen open middenlangsdeel van de boerderij en de deeldeuren in de achtergevel werden vervangen door twee staldeuren in de zijgevel (zie foto 2). In de zijbeuk aan de kant van de verwijderde hooischuur werd een grupstal geplaatst voor ca 10 koeien. Ook een kleine, diepe potstal voor de kalveren en een aantal varkenshokken kwamen daar. Langs de achtergevel kwamen een varkenshok en een paardenstal. Bij deze grote verbouwing in 1903 werden ook de buitenmuren – tot die tijd van gepotdekselde planken- nieuw opgemetseld.

In 1943 wordt Hendrik Luitenszn van der Linde de eigenaar. In 1962 volgt Luite Hendrikszn van der Linde hem op. Hij bouwt dan een nieuw woonhuis aan de achterkant van de oude boerderij (de wegkant) terwijl de ouders in het voorhuis blijven wonen. In die tijd stonden er circa twaalf melkkoeien in een grupstal en de kalveren in een potstal. Dus sinds Uilkema de boerderij bezocht was er blijkbaar niet zo veel veranderd.
In 1972 nam Albert van der Linde de boerderij over. Hij installeerde toen een melklokaal met gekoelde melktank in het voorhuis van de oude boerderij. In 1986 verrees daar weer achter een ligboxenstal met doorloopmelkstal (zie foto 5). In 2004 werd het melkveebedrijf gestopt. Het bedrijfsgedeelte is nu alleen nog in gebruik voor kalveropfok. In 2021 werd het woonhuis uit 1943 apart verkocht en geheel gerenoveerd.
 

7. Recordnummer: 0009  
[Erve] Wester Maanbeek, Maanbeke, Maenbeecke
Leeuwte 47 -- Sint Jansklooster          
Op de plek van de huidige boerderij stond vroeger Erve Maanbeek. Er is een vermelding uit 1530 dat de bekende Georg Schenck van Toutenburg (drost van Vollenhove; later ook stadhouder van Friesland, Overijssel, Drenthe en Groningen) de helft van de Maenbeecke koopt.
De voorkant van de boerderij staat gericht op het Leeuwterveld en de achterzijde naar de weg.
Midden 17e eeuw woonde hier Hendrick Jansz en Evertien “van ’t Sandt” (een gehuchtje aan de dijk van Vollenhove naar Blokzijl dat in 1775 bij een dijkdoorbraak geheel wegspoelde). In 1656 trouwt hun dochter Geertien Jansz “van d’Maenbeke” met Karst Cornelis Wind. In 1762 trouwt Evert Derks ten Napel met Jentien Jansz en koopt hij de naast elkaar gelegen boerderijen Maenbeek en Sperweringe (later Wester en Ooster Maanbeek geheten).
In 1832 is Hendrik Everts ten Napel de eigenaar van de boerderij. In 1841 gaat de boerderij over naar zonen Klaas Hendriksz en Evert Hendriksz ten Napel. In diezelfde periode zijn ze ook samen eigenaar van Leeuwte 39, waar Evert verder zal gaan boeren. In 1848 neemt Klaas het stuk van Evert over.
In 1877 neemt zoon Hendrik Klaaszn ten Napel de boerderij over. Hij ver/herbouwt de boerderij in 1894 waardoor de huidige boerderij ontstond. Op foto 2 is te zien dat er vroeger een voordeur in de voorkant van de boerderij zat. Op foto 3 staan de twee stel grote baanderdeuren in de zijkant, wat in de schuur resulteerde in twee dwarsdelen met de hooiopslag daartussen. Foto 4 laat zien dat de schuur hoger en breder is dan het voorhuis wat er op duidt dat het voorhuis ouder is dan de schuur.

In 1922 draagt hij de boerderij over aan zoon Jacob(us) Hendriksz ten Napel, getrouwd met Klaasje Weijs, die in 1926 er wat bijbouwt.
In 1935 wordt de boerderij verkocht aan Jacob Hendriksz van Benthem , die was getrouwd met Geertruida Gerrits van de Beld en te boek staat als veehouder maar ook veekoopman en bestuurder van het waterschap Vollenhove (zie foto 10). Jacob vergroot de boerderij. Wellicht dat toen ook de vroegere houten zijwanden nu uit steen werden opgetrokken en er een grupstal langs de oostelijke zijwand werd geplaatst (zie de mest deurtjes in de zijmuur op foto 4 en 5).
In 1956 komen Roelof van Benthem en diens vrouw Hilligje Driezen op deze boerderij wonen samen met Stijntje van Benthem (zus van Roelof) en haar man Gerrit Flokstra. In 1959 vertrekken Roelof en Hilligje naar een nieuwe boerderij in de NOP bij Ens. In 1972 erft Stijntje van Benthem de boerderij.
In 1982 kopen Roelof en Hilligje Driezen de boerderij terug want de Flokstra’s gingen naar een nieuw huis bij de winkel in Sint Jansklooster. Zoon Evert van Benthem en Jannette de Kroon komen dan op de boerderij die dan grondig aangepast wordt: er worden deeldeuren in de achterwand geplaatst (wegzijde, zie foto 5) en binnen wordt een ligboxenstal en melklokaal geinstalleerd. In 1985 en 1986 vergaart Evert eeuwige roem door tweemaal de Elfstedentocht te winnen (zie foto 6). In 1986 lieten ze een bungalow bouwen op het naastgelegen perceel , nu Leeuwte 49, waar in 1960 de boerderij Ooster Maanbeek was afgebroken (zie foto 8, en kaart foto 9). Dat schiep ruimte om het woonhuis van de boerderij te verbouwen tot kaasmakerij (zie foto 7) om de melk te verwerken tot “Benthemer kaas” en andere zuivelproducten die ze in de eigen winkel verkochten.
Maar de mogelijkheden om het melkveebedrijf hier uit te breiden vonden ze toch te beperkt en in 2000 vertrekken ze naar Canada.
De boerderij werd toen overgenomen door Bert Lok (rietdekker) die het voorhuis weer omzette in woonhuis en de stallen e.d. verwijderde uit de schuur van de boerderij om plaats te maken voor opslag van rietdekkersmaterialen.
 

8. Recordnummer: 0010  

Leeuwte 31 -- Sint Jansklooster          
De boerderij staat met de voorzijde naar het Leeuwterveld gekeerd (zie foto 2) en met de achterzijde naar de weg. De plattegrond van de boerderij wekt de indruk dat het oorspronkelijk een hallehuisboerderij was met deeldeuren aan de achterzijde en een middenlangsdeel, waar eind 18e/begin 19e eeuw een zijschuur aan is gebouwd (zie foto 3).

Al voor 1832 was deze boerderij in bezit van Geertje Klaassens de Lange, weduwe van Jan Klaas van der Linde. In 1844 erfde Klaas Jansz van der Linde de boerderij en in 1870 ging de boerderij naar Marrigje van der Linde.

In 1918 kocht Harm Souman de boerderij. In 1910 liet hij er een stuk aanbouwen. Het aanzicht vanaf de weg werd daardoor als op foto 4. In 1921 erfde Egbert Harmszn Souman de boerderij en in 1953 werd Klaas Harmszn Souman eigenaar van de boerderij.

In 1962 ging de boerderij over naar Harm Souman. In 1981 liet Harm naast de boerderij een veestalling (zie foto 5) en een woning bouwen (nu Leeuwte 33, aanvankelijk 31a genoemd), waar Helmich Souman kwam te wonen.

Leeuwte 31 ging in 1987 over naar Anne Souman die in 1991 een ligboxenstal liet bouwen op het perceel rechts naast de nieuwe woning (zie foto 6). De oude boerderij telde in het midden van de voorzijde van de voorkamer een grote schouw met tegels aan weerszijden (zie foto 7) en aan de linkerwand fraaie bedsteden boven een kelder (zie foto 8).

In 1998 werd de boerderij gesplitst in twee wooneenheden: 31 en 31 a (aanvankelijk verbouwd als “werkplaats + schuur”, zie foto 9).
 

9. Recordnummer: 0011  

Schaarweg 04 -- Sint Jansklooster          
In 1856 laat Margje Post, de weduwe van Egbert van Benthem, op percelen hakhout en bouwland in de Zuurkampen een boerderijtje bouwen. Zij had dit land geërfd van haar vader Jan Jans Post (landbouwer) in 1851.
In 1901 werd de boerderij gekocht door Elizabeth Jans Lassche (zie foto 3) die getrouwd was met Jannes Jacobs Voerman. Jannes hertrouwde op 44 jarige leeftijd met Elizabeth van der Linde (18 jaar) met wie hij 9 kinderen kreeg (naast de 5 uit z’n eerste huwelijk!).
In 1947 werd de boerderij overgenomen door (neef) Evert Jansz van der Linde, landbouwer, omdat hij getrouwd was Harmpje Voerman, een dochter van Jannes Voerman (zie foto 4). Evert was super netjes en stond daarom bekend als “skone Evert”. Evert mocht hier boeren onder het beding dat een oom met een handicap hier kon blijven wonen en verzorgd zou worden. Voor hem werd een slaapkamer op de deel gemaakt.
In 1960 werd de boerderij geërfd door Elizabeth Everts (Lies) van der Linde (dochter van “skone Evert”) die getrouwd was met Peter Willems (Piet) Ziel die hier kort geboerd hebben. Eén dochter was dienstbode bij Herman en Vrouwkje Weijs, Leeuwte 51, en haar zus was dienstbode bij haar tante Geertje Janneszn Voerman die getrouwd was met Klaas Koops van Benthem en dat deed ze zo goed dat ze in 1953 die boerderij (Leeuwte 27) erfde.

De plattegrond van de oude situatie (foto 5 links) laat zien dat het voorhuis bestond uit twee grotere kamers met een kleinere kamer in het midden. In de westelijke kamer waren vroeger bedsteden tegen de buitenmeer boven de kelder, waarvan de ingang zich in de schuur bevond met klapdeurtjes en trap. Die bedsteden zijn later weggehaald en in de westelijke muur werd een raam gemaakt (zie foto 3). Aan de andere kant van deze kamer kwam toen een scheidingswand waardoor het middelste (slaap) kamertje ontstond. In de oostelijke kamer was een schouw met tegeltableau (die ook in de huidige situatie nog bestaat, zie foto 6). De voordeur zat rechts in een inspringende gevel (zie foto 3). Naast deze deur zat een gootsteen met kraan (en voordien een pomp). Waarschijnlijk was dit de spoelplek. Achter de scheidingswand was de koestal (zie de mestdeurtjes in de zijgevel). Er waren 13 kinderen. Men vertelt dat de boerderij vroeger langer was en deuren in de achterzijde had, dus nog van het midden langsdeel type. Deze werd later ingekort en de baanderdeuren kwamen nu in de zijwand met een dwarsdeel, het hooivak in het midden op de vroegere langsdeel en varkens hokken aan de achterzijde (zie de mest deurtjes in de zuidgevel op foto 5).
In 1963 werd het boerderijtje gekocht door Frans Boeschoten (vroegere directeur van NLR National Aerospace Centre Marknesse) en Christina A.E. Snijder uit Laren die het verbouwden tot recreatiewoning.
In 1973 werd het huis overgenomen door Ulbe Posthuma de Boer, ingenieur lucht en ruimtevaart bij de NLR) en Patricia Boogert uit Amsterdam. Zij bracht een tegelplateau aan in de westelijke voorkamer.
Vanaf 1992 woonden hier Arent Land (veearts) en Sia de Jong veearts. Een deel van de schuur werd nu gebruikt als praktijkruimte en de oude paardenstal als operatieruimte. In 2021 verkochten zij de boerderij aan de huidige bewoners.
 

10. Recordnummer: 0012  

Leeuwte 08 -- Sint Jansklooster          
In 1907 koopt Hendrik Jacobszn Prins het schuurdeel van de boerderij en een stuk van de boomgaard van Jannes Teuniszn Mooijweer (Leeuwte 10). In 1910 breekt Hendrik zijn deel van de oude boerderij af en bouwt daar een nieuw boerderijtje met deeldeuren aan de westzijde direct achter het woongedeelte. In het voorhuis waren twee kamers. De voordeur kwam uit in de kamer aan de oostzijde. In de kamer aan de westzijde waren bedsteden boven een kelder.

In 1947 neemt zoon Egbert Hendriks Prins de boerderij over. Hij was getrouwd met Hendrikje Peters Bruintjes. Egbert was naast keuterboer ook melkrijder met paard en wagen.
Na Egberts vertrek in 1963 – in het kader van de ruilverkaveling- naar een boerderij in Haute (Friesland) koopt Jan van der Linde (landbouwer), die getrouwd was met Lena Vis, de boerderij. Jan verbouwde toen de boerderij en liet ook de hooikapberg (zie foto 2) ombouwen tot een schuur waar hij kalveren vetmestte.

In 1970 wordt de boerderij overgedaan aan Jan Klaaszn van der Linde (een neef?) die getrouwd was met Grietje van Benthem. Maar Grietje had het daar niet naar haar zin en de boerderij werd in 1971 doorverkocht aan Nettert Winter, getrouwd met Willempje Lassche. Nettert is de eerste van de bewoners die niet als “landbouwer” ingeschreven staat. Maar ook hij zou -naast z’n werk als melkrijder- jarenlang kalveren vetmesten in het achterhuis en in de schuur naast het huis. Bij een storm in 1975 stortte het voorste deel van de schuur in en liet hij deze aan de achterkant van het nog overeindstaande deel van de schuur weer opbouwen (zie foto 3).
In 1989 wordt het huis verbouwd en werden er o.a. slaapkamers op zolder gemaakt en werd de voordeur verplaatst (met aanpassingen in de gevel) (zie foto 4).
 

11. Recordnummer: 0013  
[Erve] Maaskamp
Leeuwte 70 -- Sint Jansklooster          
Op de plek van de huidige boerderij heeft al eeuwenlang een boerderij gestaan, getuige het feit dat de naam van deze boerderij al in een oud zijlregister voorkomt. In 1449 wordt de boerderij hier vermeldt als het “Henric Maesguede”, het latere Maaskamp.

Het klooster Sint Jan en het Rentambt van St Johanneskamp waren jarenlang in het bezit van deze boerderij. Latere bewoners zouden de naam van de boerderij overnemen als eigennaam. Zo waren pachters uit de 17e en 18e eeuw o.a.: Roelof Rijckents Maaskamp, getrouwd met Geesje Lubbers; Rijkent Roelofs Maaskamp, getrouwd met Lubbigje Hendriks Kool, en Lubbigjen Rijkens Maaskamp, getrouwd met Harm Willems Sieverink.
In 1832 vinden we de boerderij terug in het net beginnende kadaster met als eigenaar Jan Willemszn Zandbergen getrouwd met Lammigje Harms Meijlof. Op het minuutplan van 1832 (zie foto 2) is te zien dat er toen een (heel grote) boerderij stond evenwijdig aan de Leeuwterweg, dus dwars op de plaatsing van de huidige boerderij (zie de rode contour).
Jan was een grote boer met ook een boerderij in de Kadoelen en wel 35 hectare grond. Hij overleed in 1840.
Zoon Willem Janszn Zandbergen zet na het overlijden van vader Jan Willem de boerderij voort; Willem is dan net 19 jaar. Het eigendom van de boerderij gaat formeel pas over in 1856. Toen was het ook tijd om te trouwen en wel met z’n nicht Seintien Heetebrij. Het is niet duidelijk waarom Willem de boerderij in 1876 verkoopt (ziek? Hij zou in 1888 in Steenwijk overlijden). Hoewel er een openbare verkoop wordt aangekondigd (zie advertentie foto 7) is het zijn oom Harm Willemszn Zandbergen en diens vrouw Jentje (Jantien) Stam die de boerderij overnemen.
Volgens de gemeente dateert de huidige boerderij van 1850 en volgens het kadaster van 1890. In 1850 stond de oude boerderij er nog blijkens kaarten uit die tijd, maar het is mogelijk dat in 1890 al een deel van de boerderij werd herbouwd. Een onderzoekje door de huidige (mede-) eigenaar Bas Heite geeft aan dat de boerderij pas ca 1933 z’n huidige vorm kreeg (zie foto 3). De boerderij zag er toen waarschijnlijk zo uit als op foto 4. Let op de zesvlaksverdeling van de ramen en de luiken voor de ramen. De beschrijving van de oude situatie op een bouwtekening uit 1967 (zie foto 5) laat zien dat het voorhuis bestond uit twee voorkamers gescheiden door een gang, beide kamers met een schouw. In beide kamers waren bedsteden ingebouwd. De zijkamer links op de tekening was waarschijnlijk de keuken en voordien mogelijk karn- en spoelruimte. Achter de kamer rechts en deels onder de bedsteden was een grote kelder. De schuur had aan de zuidzijde twee grote baanderdeuren waarachter elk een dwarsdeel. Daartussen lag waarschijnlijk de hooiopslag. De koestal lag waarschijnlijk langs de noordzijde van de schuur (zie stalraampjes op foto 6). De balken in de schuur zijn op niet logische plekken ingekeept wat wijst op hergebruik van balken uit de vroegere boerderij.
Na het overlijden van Harm Zandbergen in 1893 zullen weduwe Jantien Zandbergen-Stam en de kinderen hier nog een paar jaar wonen om dan in 1900 de boerderij verkopen aan Anton Henri baron Sloet van Marxveldt (zie foto 8), de dijkgraaf van het Waterschap Vollenhove.
De baron verpachtte boerderij en land eerst aan Willem Winters (overleden 1936) en zijn vrouw Froukje Barends van Benthem en vervolgens aan Barend Winters getrouwd met Jansjen van der Linde.
Na de dood van baron Anton Henri in 1957 blijft de boerderij nog een paar jaar in bezit van zijn weduwe Maria Digna Frederika baronnesse d’Ablaing van Giesenburg en haar kinderen, maar in 1964 wordt de boerderij en de grond verkocht aan de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten. Barend en Jansje Winters kregen toen de kans om -in het kader van de ruilverkaveling- een boerderij te stichten aan de Uitterdijkenweg.
Natuurmonumenten verhuurde het pand toen aan een fabrikant van salonwagens en zomerhuisjes (zie foto 9).

In 1966 ruilde Natuurmonumenten de boerderij met Berend van Egten (rietdekker, zie foto 10) voor een som geld en een eiland in de Beulaker Wijde. Die gebruikte de schuur als opslag voor zijn riet en als caravanstalling. Voordat Van Egten en zijn vrouw Roelie Apperlo erin trokken, werd het voorhuis eerst verbouwd. De bedsteden boven de kelder en het gewelf van (een deel van) de kelder werden weggebroken om een slaapkamer te realiseren en de bedsteden in de kamer werden vermaakt tot kasten (zie foto 11). In de negentiger jaren werden achter de voorkamer een bijkeuken en een badkamer op de deel gebouwd. In 2017 overleed Berend van Egten.)n 2021 namen een schoonzoon en neef van Berend en Roelie de boerderij over.
 

12. Recordnummer: 0014  

Leeuwte 73 -- Sint Jansklooster          
Als bouwjaar wordt 1750 genoemd (maar niet te verifiëren). Het huis was destijds van het type "vervenershuisje" en smaller, lager en korter dan heden ten dage (bij benadering zoals de stippellijnen op foto 2 aangeven).

In 1832 woonde hier Andries Dragt, een turfboer. Veel boerderijtjes aan de meerkant van de Kleine Leeuwte en aan het Beulakerpad waren turfboer. Maar het veen raakte eind 18e eeuw op en dus gingen de turfboeren veelal wat meer vee houden. De grote voorkamer kende een schouw met rookkanaal.

In 1850 erft Froutje Dragt de woning; zij was getrouwd met Luiten van Dalen, veehouder.

In 1901 neemt zoon Gerrit Luitens van Dalen de boerderij over. In 1925 bouwt Gerrit achter het huis een grotere bredere en hogere schuur door het vierkante werk daar verder uit elkaar te plaatsen en te verlengen(zie foto 2). In de schuur wordt een geute (spoelplaats) met stenen put en een houten pomp aangelegd. Aan de buitenkant van de schuur kwamen wat varkenshokken. Naast en achter de schuur was een grote boomgaard.

In 1926 erft Luiten Gerrits van Dalen de boerderij. In 1929 wordt het rieten dak aan de zuidzijde van de woning (op foto 2 links) opgelicht en wordt de zijmuur één meter naar buiten verplaatst. Ook wordt in de -nu wat grotere- zijkamer een tweede rookkanaal aangebracht. Dit alles waarschijnlijk om woonruimte voor Luiten zijn ouders te creëren. In de tweede wereldoorlog zaten er onderduikers in de rietvelden achter de boerderij, die van eten werden voorzien door de Van Dalens. Eén van hen zou tot eind van de eeuw elk jaar langskomen om de familie daarvoor steeds weer te bedanken.
In 1961 verbouwt Luiten het voorhuis: de drie bedsteden boven de kelder worden verwijderd, het keldergewelf wordt gesloopt en de kelder gedempt, waardoor twee kleine slaapkamers ontstonden (zie foto 3 en 4). Op de deel werd toen ook een extra slaapkamer gebouwd. In 1971 zouden de beide nieuwe slaapkamertjes worden vergroot door het dak op te lichten en de zijmuur naar buiten te plaatsen zodat deze in het verlengde van de zijmuur van de schuur kwam te staan. Foto 5 geeft een beeld van de boerderij in de zestiger jaren.

In 1966 erft Evert Van Dalen (getrouwd met Jeltje van Rossum) de boerderij. Evert laat in 1969 achter op het erf een kapschuur bouwen voor hooiopslag (boven) en stalling van jongvee (beneden). Ook laat hij tussen de boerderij en de kapschuur een veestalling bouwen (met twee rijen koeien in grupstallen), die in 1979 verder wordt vergroot (zie foto 6 en 7). In de schuur van de boerderij worden nu extra slaapkamers, een bijkeuken en een douche gebouwd op de plekken waar vroeger de koeien stonden. Het middenstuk bleef in gebruik als deel.
Evert overlijdt in 1983 na een ongeluk met de trekker. In 1988 komt de boerderij in de maatschap van Jeltje met zoon Jacob van Dalen.

In 1997 nemen Anton en Trudy Tomson de boerderij van Jacob over. De veestalling en wagenberging worden afgebroken, de oude boerderij wordt nu verder gemoderniseerd als woonhuis en de kapschuur wordt veranderd in een hobby en werkruimte.
 

13. Recordnummer: 0015  

Schaarweg 10 -- Sint Jansklooster          
Het perceel waarop de boerderij gebouwd zou worden was tot 1857 een weiland in bezit van Egbert Janszn de Olde, getrouwd met Geertrui Alida Jans Jongman. In 1858 laten zij op dit perceel een boerderijtje bouwen dat toen adres wijk A 117 kreeg. NB De gemeente vermeldt 1910 als bouwdatum. Het zou kunnen zijn dat in 1907 er iets verbouwd is want toen veranderde de belaste waarde van het huis in het kadaster een beetje, maar de veldwerkkaart van 1859 (zie foto 8) maakt duidelijk dat het huis er toen al stond.

In 1887 gaat de boerderij over naar hun zoon Jan Egberts de Olde die trouwde met Grietje Hendriks van der Linde.Het adres werd in die tijd Wijk A 166. Weduwe Geertrui de Olde-Jongman was enige jaren nog mede-eigenaar. Jan de Olde zou bijna honderd jaar worden. Volgens een artikel in de krant werd hij door menigeen “de filosoof” genoemd ook omdat hij zoveel las.

Na het overlijden van Jan de Olde's echtgenote Grietje in 1923 (43 jaar oud!) zou Gergje Weijs (Gerrigje Jansdr Weijs) zijn huishoudster worden. Zij woonde met haar -eveneens ongetrouwde- broer Hendrik en zus Jans in het naastgelegen boerderijtje (Schaarweg 8). Toen Jan de Olde overleed erfde Gergje de oude boerderij op no 10.

Uit de plattegrond van de situatie vóór 1995 (zie foto 2) valt op te maken dat het voorhuis twee kamers telde met elk twee bedsteden (zie foto 3) en een schouw tegen de scheidingsmuur. Onder de bedsteden in de westelijke kamer was een kelder toegankelijk via een luik in deze kamer (foto 4). De voordeur kwam uit in deze kamer (zie ook foto 1 voorgevel). Direct achter de kamers begon de deel met de baanderdeuren in de oostgevel (zie foto 5). Rechts van de kleine deur in de wand daartegenover stond een koperen pomp met houten zwengel (zie foto 6) op een put van negen meter diep (die nog steeds goed water geeft). Dit stuk van de deel zal dus wel de spoelruimte zijn geweest. Tegen de zijmuur tegenover de deeldeuren en de achtermuur waren de boxen voor het vee met grup en mestdeurtjes (zie foto 7 en 5). Meer dan zes koeien en wat kleinvee lijken er nooit gestaan te hebben.

In 1995, na het overlijden van Gergje in het jaar daarvoor, kochten Jan en Anita Hansman het huis van de zus van Gergje (Klaasje Weijs van café de Krieger). Het huis had toen één kraan en nog geen wc of douche. Ze handhaafden gelukkig de kelder en de bedsteden daarboven, maar pasten verder het huis aan de huidige eisen aan.
 

14. Recordnummer: 0020  
Jacobsonhoeve
Leeuwte 16 -- Sint Jansklooster          
Gerhard Joan Jacobson, die van 1821 tot 1837 burgemeester van Vollenhove was, bezat al voor 1832 het stuk bouwland G 42. Zijn zoon Joan Theodoor liet in 1885 op dit perceel een boerenhuis bouwen (zie foto 1). In 1896 zou de schuur vergroot worden (en wellicht kwam toen het tweede stel zijdeuren erin (zie foto 2).
In 1902 erfde Gerhard Willem Jacobson (“commisionair” in Arnhem (d.w.z. een handelaar / makelaar) de boerderij.
Toen Gerhard Willem in 1920 overleed, kwam de boerderij in handen van zijn zus Johanna Carolina Huberta die getrouwd was met Alexander Leonard Baron von Plettenberg uit Den Haag. Die lieten schuin achter de boerderij een schuur bouwen. In 1931 ging de boerderij over naar hun kinderen: Hendrik de Witt Wijnen uit Gouda en zijn zuster Conradina.
Wie in al die jaren de pachters waren op deze boerderij is niet bekend (een Mooijweer wordt genoemd, maar daar is nog geen bevestiging van).
Conradina verkocht in 1947, kort voor de dood van Hendrik, de boerderij aan Luit Klaasen de Lange (veehouder) die getrouwd was met Iedigje van der Linde. In 1961 werden Iedigje en dochter Antje (Anneke) de eigenaren.
Uit een bouwtekeningen (zie plattegrond foto 3) blijkt dat het woonhuis van de boerderij destijds twee kamers telde gescheiden door een gang. De grootste (westelijke) kamer had een schouw tegen de voormuur twee bedsteden, met in het midden een kast, tegen de zijmuur boven een kelder waarvan de ingang op de deel lag. De andere kamer had een kachel tegen de zijmuur en een bedstee en een kast tegen de achterwand. Aan de westelijke kant was een bakhuisje aangebouwd dat als keuken dienstdeed en dat bereikbaar was door een deur vanaf de spoelplaats op de deel. (zie foto 4). Direct achter het woongedeelte was de dwarsdeel met baanderdeuren in de oostzijde. Naast die deuren was de paardenstal. In het midden was de tasruimte voor het hooi en langs de westzijde lag de koestal (16 standplaatsen) met mestdeurtjes in de gevel (zie foto 5). Tegen de achterwand bevond zich de stal voor het jongvee met daarvoor een dwarsdeel die uitkwam bij de achterste baanderdeuren in de westzijde. De graanzolder boven het woongedeelte was bereikbaar met een trap vanaf de deel. Hier was al provisorisch een slaapkamer afgescheiden.
In 1967 ruilden ze de boerderij (voor een huis aan de Schaarweg) met Gerrit Luteszn van Dalen die trouwde met Elisabeth Huisman. Gerrit liet de boerderij toen verbouwen. Het bakhuisje werd afgebroken, zodat er een zijraam in de woonkamer kon worden gemaakt, en de keuken werd verplaatst naar de oostelijke kamer. De achtermuur van het woongedeelte werd doorgetrokken tot het dak en op de zolder werden twee slaapkamers gemaakt.
In 1972 stortte de schuur naast het huis in tijdens een storm (zie foto 6). De schuur werd herbouwd en daarin kwam toen een veestalling voor 10 koeien (foto 7). In 1975 werd er parallel aan de jongveestal in de boerderij nog een rij standplaatsen voor tien melkkoeien gemaakt, ten koste van de ruimte voor de hooiopslag (nu minder nodig omdat er meer ingekuild werd). De paardenstal werd omgebouwd tot melklokaal.
In 1992 kopen Luut van Dalen en Christien de boerderij. Vader Gerrit zou nog een jaar hier boeren maar in 1993 vertrokken de koeien en werd een stuk van de schuur bij het woonhuis getrokken. In 2010 werd de westelijke zijmuur gerenoveerd, gelukkig met behoud van de mestdeurtjes (maar nu wel geisoleerd).
Onderschriften
 

15. Recordnummer: 0021  

Schaarweg 12 -- Sint Jansklooster          
In 1840 bouwde Peter Hendriks Rozeboom een huis op een stuk bouwland aan de Zuurbekerkampen dat hij van z’n moeder, weduwe Riksjen Rozeboom-Top, erfde in 1828 (zie foto 3). Peter trouwde met Harmina (Mientje) Albertsdr Lassche. Hun zoon Hendrik zou later het vruchtgebruik van de boerderij krijgen (en kinderloos blijven).
Nadat Peter was overleden (1857) hertrouwde Mientje met de -13 jaar jongere- Jacob Arriens Rook. Hun dochter Stijntje Rook trouwde met Hendrik Roelofszn van Benthem en de boerderij zou in 1920 naar hen overgaan. In 1921 laten zij de boerderij verlengen/vergroten en krijgt deze zijn huidige vorm (zie foto 1 en 2) met twee stel baanderdeuren met een dwarsdeel daarachter. Foto 4 (bouwtekening 2007 na afpellen van recente vernieuwingen) laat zien wat mogelijk de oorspronkelijke plattegrond van deze boerderij was: twee kamers met schouw, waarvan de rechtse waarschijnlijk met een opkamertje of bedsteden boven een kelder. Het grote aangebouwde stookhok heeft mogelijk lang als keuken dienst gedaan.
In 1931 gaat de boerderij over naar zoon Jan van Benthem die trouwde met Roelofje van der Linde. Jan en Roelofje overleden beide in 1948 (49 en 47 jaar oud): hij in mei aan een hartaanval en zij in augustus door een beroerte. Hun twee nog jonge dochters Stijntje en Geertje (8 en 6 jaar oud, zie foto 5) komen in huis bij hun ongetrouwde oom Koop van der Linde (zie foto 6) en zijn huishoudster Jentje Rook. Jentje van Benthem (géén familie) en haar man Evert Lok (veehouder) komen dan op de boerderij. In 1965 zou ook het eigendom op hun naam komen.
In 1974 neemt Herman Eshuis uit Oldenzaal de boerderij over en ging deze gebruiken als tweede woning. De boerderij is blijkbaar in de ruilverkaveling gesaneerd.
In 1988 kopen Roelof Hofte en Emma Achterberg, van oorsprong uit Enschede afkomstig, de boerderij. Roelof hield paarden en reed regelmatig met paard en rijtuig door de streek. In deze periode heeft de boerderij de naam “Schouwink” (naar het -helaas verloren gegane- landgoed van de grootvader van Roelof nabij Enschede).
In 2007 kopen A.M. Rijken en D. Nauta (voorheen artsen in Marknesse) de boerderij en laten deze grondig verbouwen. De eerste jaren wordt de woning als vakantiehuis gebruikt, maar vanaf 2010 gaan ze er ook wonen. In dat jaar wordt er nog een hooiberg cum autostalling bijgebouwd.
 

16. Recordnummer: 0022  
[Erve] Caterstee
Kadoelen 19 (ex) nu Openluchtmuseum Arnhem -- Sint Jansklooster          
De boerderij
De boerderij Caterstee werd waarschijnlijk eind 18e eeuw gebouwd als een pachtboerderij van het landgoed de Oldenhof. De boerderij was 25 meter lang en 15 meter breed. De boerderij rustte op het “vierkante wark”: een constructie bestaande uit zes paar zware eiken stijlen (zie s op plattegrond foto 3) staande op gemetselde poeren met tussen elk paar stijlen een balk (gestippeld) die aan weerszijden door de stijlen heen stak en daar aan de achterkant vastzat met een pen (zie foto 4). Over de stijlen lagen de draagplaten en daarop rusten de daksparren (“spoaren”) van het hoge deel van het rieten schilddak die liepen van draagplaat tot de nok en werden verbonden door de hanebalken. In de hoeken van de stijlen met de balken en draagplaten zaten schuine steunbalken (“kipstijl”) om het geheel meer stijfheid te geven. Ook van de draagplaten tot over de zijmuren lagen daksparren boven de zijbeuken van de boerderij (de “útloat”). Het rieten dak had hier een flauwere helling dan het bovenste deel van het dak.

Het voorhuis (“veurhuus”) bestond uit een grote (pronk-)kamer (K op foto 3; zie ook foto 5) met aan de zuidwand twee bedsteden (met schuine streep) met een kast en een open schouw tussen de ramen in de voorgevel. De schoorsteen was hoog opgemetseld tot ver boven het dak (zie foto 1). In de kleinere kamer aan de noordwestzijde, zat de voordeur en een bedstee met kast boven de melkkelder. Deze kamer liep over in de gang met een deur naar de grote kamer, een naar de “opkelder” (een bergruimte boven het keldergewelf) en één naar de deel. De kamers en de gang waren geheel met tegels gevloerd. Achter de bedsteden was een ruimte die “de old el” werd genoemd: “de oude hel”; “Hel” was destijds de benaming voor een lage donkere ruimte (ook bij schepen). Maar als je in de bedstee lag en iemand rommelde daarachter rond, klonk dat wellicht ook best spookachtig.
De grote kamer had waarschijnlijk blauwe tegels met diverse voorstellingen onder de schouw en in een band onder de ramen in de voorgevel, daarboven wit gepleisterd evenals de achterwand (zie foto 5). De panelen van de deuren waren dooiergeel afgezet met een brede bruine band. Het binnenste houtwerk van de ramen was dooiergeel en de kozijnen waren donkerbruin. De achterwanden van de bedsteden kobaltblauw of donkergroen en het binnenwerk van de kasten rood. De kamers hadden een plint van hout, terwijl de gang en de het voorste stuk van de deel (met karnmolen en wasplaats, vaak de “geute” genoemd) hadden een onderrand van zwarte teer.
Aan de buitenzijde waren de vensters en deuren van het woongedeelte blauw-groen.

Het schuurgedeelte van de boerderij was opgetrokken in hout boven een stenen plint.
Op de deel direct achter het voorhuis (K op foto 3) installeerde het openluchtmuseum een rosmolen (zie foto 4), maar S.J. van der Molen, die de Caterstee vóór de afbraak bezocht in 1940, gaf aan dat hier waarschijnlijk een door een hond aangedreven tredmolen heeft gestaan (zie foto 6). De molen dreef via tandwielen en hefbomen de karn aan.
In de noordzijde bevonden zich twee paar baanderdeuren (“banders”): de grote baanderdeuren (BD op foto 3; zie ook foto 7) waren naar binnen gezet, zodat hoog opgeladen hooiwagens naar binnen konden rijden. Later zou men deze deuren in het verlengde van de buitenmuur zetten en ter plaatse het dak oplichten om genoeg hoogte te verkrijgen. Bij de kleine baanderdeuren (Kbd op foto 3), bijna achteraan de boerderij, was het dak een beetje opgelicht om wat hoogte te verkrijgen. Deuren in het schuurgedeelte waren van buiten én van binnen blauw-groen. De houten zijwanden werden in de zwarte teer gezet.
Direct naast de grote baanderdeuren was aan de ene kant de paardenstal (PS op foto 3) met een deur naar buiten. Boven de voerbak van de paarden hing het volgende dichtwerk:
Als we de berg opgaan, slaat ons niet
Als we de berg afgaan, jaag ons niet
Als we aan de krib staan, vergeet ons niet
Wat wij dan niet doen, kunnen we niet
Aan de andere kant van de grote deuren was de wasplaats (W op foto 3) met een pomp (p) waar emmers en ander gerei gespoeld werden. Vanuit de wasplaats had je toegang tot de melkkelder (MK) via een deur en een trap. De kelder met rond gewelf en gepleisterde muren kende rondom een stenen verhoging (“muurtiens”) waarop het melkgerei stond (foto 8).
De grote baanderdeuren gaven toegang tot de dwarsdeel (D op foto 3), die als dorsvloer werd gebruikt. Boven de dorsvloer lagen op de balken tot aan de middelmuur (MM) lange dunne stammen (“slieten”) waarop het ongedorste graan werd bewaard (zie foto 4). Na het dorsen werd het graan op de zolder boven het woongedeelte opgeslagen. De zolder was bereikbaar met een losse trap vanaf de deel. Deze zolder had geen ramen en ontving alleen wat licht vanaf de deel. De hooivakken lagen in het midden tussen de grote en kleine baanderdeuren (H op foto 3). Het hooi werd van bovenuit het hooivak via een ruif met klep in de voergoot (de “zul”: Z) gebracht.
Waarschijnlijk stond het vee aanvankelijk in een grote potstal in de zuidelijke zijbeuk, door een hek en voergoot afgescheiden van het hooivak (H) en de deel (D). Later werd de potstal vervangen door een grupstal voor het melkvee met 16 standplaatsen met aan de deelzijde de stalpalen waaraan de koeien vastgezet werden en daarvoor een gemetselde drink- en voergoot (Z) en aan de achterzijde de mestgoot (“grup”: G) en een smal pad. In de muur daarachter zaten toen 8 mestdeurtjes waardoor de mest naar buiten gebracht werd (één man binnen legde de mest vanuit de grup door het deurtje op de schep van de man die buiten stond en het daar op de mestvaalt bracht).
Tegen de achterwand van de boerderij waren twee potstallen (P), waarin de beesten op de mest en wat strooisel stonden: één voor het jongvee en één voor de varkens. De varkens konden door drie luiken naar een uitloopgebied buiten op het erf of in de boomgaard.
Op het land vóór de boerderij stond (en staat nog steeds) een grote duiventil die toebehoorde aan de adellijke landeigenaren (foto 9). De duivenmest werd periodiek uit de duiventil op een daaronder staande wagen geladen en gebruikt op het bouwland. De duiven zelf kwamen op tafel bij de baron.

De eigenaren en pachters/bewoners van de Caterstee
Het is waarschijnlijk dat Anthony baron Sloet tot Oldruitenborgh (1767-1849) deze boerderij heeft laten bouwen (foto 2). De boerderij bleef tot 1942 (de overdracht aan het Openluchtmuseum in Arnhem) in eigendom van de familie Sloet gebleven en werd verpacht aan lokale boeren.
In 1853 erft Jan Willem Sloet tot Oldruitenborgh (een “verificateur”) de boerderij, met zoon Gerard als mede-eigenaar. Maar al twintig jaar daarvoor was Jan Willem al de vruchtgebruiker van de boerderij.
In 1863 wordt Gerard (dijkgraaf en fabrikant) de enige eigenaar. Pachters in die jaren waren o.a.: 1881-1921: Evert Willems Winter(s) en Hendrikje Everts van Benthem (zie foto 12)
In 1913 gaat de boerderij naar Anton Henri baron van Marxveld, (dijkgraaf en die eigenlijk van Oldruitenborgh heette). Het vruchtgebruik gaat naar Elias Catherina Elisabeth Boudewina douairière (de weduwe van vader Gerard).
Pachters in die tijd van de Caterstee waren: 1921-1942: Johannes Klaassen Boes en Jentje Hoefman (met zoon Teunis Boes en Grietje Spans).
In 1939 liet Anton Henri op het land even ten noorden van de oude boerderij een nieuwe boerderij zetten, met gierkelder, erf, tuin en boomgaard voor de laatste pachter van de Caterstee: Johannes Boes (en zoon Teunis). De Caterstee stond sinds die tijd leeg en was in zeer slechte staat (zie foto 10). In 1939 kwam er een contact tot stand tussen het Openlucht Museum in Arnhem en baron Sloet die van plan was de boerderij te laten slopen, maar het wel voor een schappelijk prijsje (f 1500) aan het museum wilde overdoen, een nieuwtje dat de krant haalde (foto 11). In 1942 werd de boerderij afgebroken en verplaatst naar Arnhem. De herbouw startte in 1943 maar werd sterk vertraagd, eerst doordat een deel van “het opgaande houtwerk” in zo slechte staat bleek dat dit niet meer te gebruiken was en goed eikenhout was in oorlogstijd nauwelijks te krijgen. Vervolgens raakte het gebouw tijdens de W.O. II ernstig beschadigd zodat eerst fondsen verkregen moesten worden om het te herstellen. Maar in 1946 kwam het dan toch gereed.

Inventaris
In het dossier van het Openluchtmuseum voor de Caterstee komt een lijst voor van de spullen die in 1970 in deze boerderij aanwezig waren. Die spullen waren in de tijd van de verplaatsing ingezameld in het Land van Vollenhove, wat dus een aardig beeld geeft van wat men zoal in de periode voor WO-II zoal op een boerderij in deze omgeving in huis had.
Grote Kamer (zie foto 5): wandbordje “Vreest God, Eert den Koning”, 1 armstoel, secretaire (kastje), 5 tafelstoelen, mahonie houten ronde tafel, eikenhouten kist, eikenhouten kabinet op 8 poten; spiegel, pijpenstandaard met lange en korte stenen pijpen, houten tabakspot, koffiekan (groen aardenwerk), wieg, spinnewiel, haardrekje, hangijzer en haalketting, blaasbalg, Treeft (ijzeren driepoot om pan op het vuur te zetten), aardewerken vuurstolp, doofpot (koper), vuurtang en -schep, vuurmand met kleed, 5 wandborden Petrus Ragout; beddepan (rood koper), mangelplank met rol, strijkijzer koper, grote geel koperen pannen met hengsel, kleiner koperen pannen zonder hengsel (2), koperen zwavelstokken doos, koperen melkkan, koperen schuimlepel, vergiet (geelkoper), melkkan, suikerpot en jampot (aardewerk), rasp geelkoper, schalen, kommen, borden, potten, kopjes en schotels van aardewerk, beslagpan (geelkoper), waterkan, tinnen soeplepel, keteltje met deksel geel koper, vliegenstolp, poffertjes vorm, raamhor, inktpot, comfoortje, stoffer en blik (koper), wafelijzer, petroleum lamp (aan de zolder), glazenpot met stolp, kaasrasp, klontjestang, melkkannetje
Gang: 6 gravures met afbeeldingen over het leven van “de verloren zoon”; en een trompe l’oeil (boerenbedrieger) in lijst
Kleine kamer: Mosel Naaimachine, stoel, snotneuslamp, kist, vogelkooi, reistas van tapijtstof
Opkelder: 3 keulse kruiken, zoutpot (keuls), vergiet (aardewerk), bordenrek, botervorm (aardewerk), schaal groen glazuur, waterkan (bruin gres), 3 volgers (deksel van de kaasvorm)
Wasplaats: karn, koperen melkketels (2), plankjes met rondgat in verschillende maten voor het uitpersen van vocht uit botervaten, volgers (deksel op botervat); boterstempel, litermaat roodkoper, aardewerken kan, houten emmers, emmerrek (buiten), melk aad (2) voor het afscheppen van de room, kaasketel met twee kettingen,
Schuur: een honden tredmolen, een houten eenscharige ploeg met verstelbaar voorstuk, een plank met houten ribben om strepen te trekken voor het zaaien van erwten, een zaaivat dat voor de buik gehangen werd bij het handmatig breedwerpig zaaien; zaaimachine voor koolzaad: frame met wielen waaraan op gelijke afstanden drie zaadbussen hingen met verstelbare klep om fijn koolzaad in rijen te kunnen zaaien; zaaimachine met wiel en één zaadbus voor het zaaien van chichorei met twee klauwtjes achter het wiel om de voor weer dicht te schuiven; dorsblok en houten knevels die om het paard werden gehangen zodat het zich niet kon bezeren aan de boom van het dorsblok; Mc Cormick maaimachine 1831; houten mollenbord met ijzerbeslag aan onderzijde met ketting (voor het egaliseren van het weiland: molshopen); weefgetouw voor het maken van genemuider matten; boerenwagen (kon ook als huifkar); koekbreker (lijkt op een vleesmolen) om lijnkoeken in kleine stukken te breken voordat deze aan het jongvee gevoerd werden (gemengd met ondermelk) anders zouden ze hun tanden breken; diverse gereedschappen: hooiharken, gavel (drietandige vork), 4 tands greep, slijpplank, snoeibeitel (voor het afsteken van boomtakken), unster (om te wegen), tuigage voor de paarden, een kaarslantaarn.
 

17. Recordnummer: 0023  
[Erve] Snobbersgoed; Knaterhoeve
Kadoelen 17 -- Sint Jansklooster          
Erve het Snobbersgoed stond eind 14de eeuw bekend als het ‘Snubbersguet des Heeren’. Het was een van de vier “hoven” die de bisschop van Utrecht in het Land van Vollenhove bezat. Bij de hoeve hoorden percelen op het hoge land (‘op de Quadolingerkampen’, ‘op de Barspicker kamp’ en ‘op de camp toe Wendel’), buitendijks land (onder andere ‘Paels Uterdijck end buthedix tot Bairloe’) en land in het veengebied (‘Berspicker weide’, ‘in de Boedelac’, ‘in de Heve, ‘in de Elsheve’).
In 1528 droeg de bisschop zijn landsheerlijk gezag, en daarmee ook het bezit van de vier hofboerderijen, over aan keizer Karel V. Na diens dood werd Philips II de eigenaar van deze boerderijen. Dat is de reden waarom ze heel lang nadien de “koninklijke domeinen” genoemd zouden worden, al vervielen de vier hoeven in 1578 aan de provincie Overijssel. De vier hofboerderijen werden toen, samen met de 15 boerderijen die behoorden aan het klooster St. Janskamp, ondergebracht in een speciaal “Rentambt” beheerd door een rentmeester.

Uit de administratie van het rentambt blijkt dat de gronden behorende bij het Snobbersgoed meestal voor een periode van zes jaar werden verhuurd. Tussen 1580 en 1802 werd de hoeve verpacht aan de volgende families: Tot 1580: Juirgen Jans; 1581-1627: Jan Jansen; 1629-1661: Jacob Wolters; 1662-1672: Andries Everts; 1673-1674: de weduwe van Andries Everts; 1675-1706: Helprich Jacobs; 1706-1720: Rijckend Arends; 1721-1729: Lubbert Geerts; 1730-1735 Annetien Jurriens (weduwe van Gerrit Herms); 1736-1741 Jan Arents; 1742-1753 Meylof Jans; 1754-1755 Steven Jans; 1756-1759 Wolter Roskam; 1760-1771: Geert Jans; 1772-1777: Fierik Rijnders; 1778-1802: Jan Claasen.

In de periode van Jan Claasen brandde de boerderij af en werd deze weer opgebouwd.
Na de omwenteling in 1795 werden de vroegere kloostergoederen en de vier hofboerderijen verkocht. In 1802 kocht L.E.W.S. Sloet tot Olthuys de boerderij op een veiling voor f 4100, maar even later verkoopt deze de boerderij voor f5000 door aan Wolter Roelofs Roskam (die op de veiling ook al geboden had) en zijn (tweede) vrouw Grietjen Klaasen de Lange. Die sloten daarvoor een hypotheek op de boerderij af bij adellijke mevrouw G. van Middachten-van Dorth. Nadat Roskam overleed hertrouwde zijn vrouw Grietjen (40) met Hermen Keezen Post (25) die de hoeve wist uit te breiden met een deel van het naastgelegen Rentingserve.
Bij Hermen’s overlijden in 1861 bleek dat dochter Jentje, die inmiddels was getrouwd met Anthony Greve, het vruchtgebruik van een deel van het land kreeg maar de boerderij op naam kwam van kleindochter Niezina Greve (nog maar 6 jaar oud), die in 1881 zou trouwen met Jan van ’t Oever (een sigarenfabrikant uit Kampen). Het is niet bekend wie in de tussentijd de boerderij beheerde.

In 1913 werd de boerderij verkocht aan Jan Tiemensz Corporaal en zijn vrouw Jentje Rook. Die liet wat oude schuren rond het huis slopen en een gierkelder bouwen (zie foto 3).
Op basis van een latere (ver-)bouwtekening is te reconstrueren dat de boerderij in die tijd de volgende indeling had (zie plattegrond op foto 4). Het voorhuis had in het midden een grote kamer (vermoedelijk vroeger met bedsteden tegen de achterwand en een schouw tegen de voormuur), daarnaast een gang met toegang tot een kamer en een berging boven de kelder. De toegang tot de kelder was op de deel. Het was gebruikelijk dat daarnaast op de deel de spoelplaats was en de pomp. De doorsnede (zie foto 5) laat zien dat de veestalling aan de noordzijde lag met mestdeurtjes in de muur achter de grup.

In 1938 kwam de hoeve in bezit van dochter Jentje Corporaal die getrouwd was met Hendrikus Boes, maar die verkochten de boerderij al in 1939 door aan Wietze Kisjes (aanvankelijk samen met diens broers) die trouwde met H.W.J. van der Stouwe.

In 1965 kochten Derk Jan Meijers en Teuntje Pluim deze boerderij. Zij lieten de voorgevel opnieuw opmetselen en grotere ramen installeren (zie foto 6). Na het overlijden van Derk Jan in 1973 zette Teuntje de boerderij door met steun van zoon Egbert Meijer. In dat jaat werd er een kapschuur direct achter de boerderij gebouwd (zie foto 7). Egbert werd in 1986 de eigenaar van de boerderij.
In 2005 werd de boerderij gesplitst en het achterste deel van de schuur werd verbouwd tot woonhuis (door/voor B. te Paske).

Wanneer de naam "Knaterhoeve" is ontstaan en wat die betekent tasten we nog in het duister.
 

18. Recordnummer: 0024  

Zuurbeek 5 -- Sint Jansklooster          
In 1843 erft Maria Antoinette van Middachten o.a. een stuk bos van haar vader Reint Wolter baron van Middachten, één van de rijke edelen in Vollenhove.

In 1847 koopt Evert Hendriks ten Napel (landbouwer, getrouwd met Marrigje Klaasen van der Linde) het perceel, dat hij in 1848 opsplitst en op het deel G 1533 laat hij een huis bouwen (zie foto 2).

In 1855 verkoopt ten Napel het huis aan Hermen Keessen Post, getrouwd met Grietje Klaassen de Lange. Hij was zowel boer als raadslid en wethouder in Ambt Vollenhove en eigenaar van diverse boerderijtjes in Ambt Vollenhove.

In 1861 erft zijn dochter Jentje Hermens Post het boerderijtje. Zij trouwt met Anthonie Gerrits Greve, die in 1866 overleed. Na het overlijden van Jentje in 1870 gaat de boerderij naar dochter Jansje Anthonies Greve. Jansje trouwt in 1874 met Gerrit Willemszn Doornink (een boer uit Heerde) maar blijkbaar overlijdt Jansje (in het kraambed?) in 1975. Gerrit houdt Zuurbeek 5 tot 1902 in eigendom maar woont/boert in Heerde. Vanaf begin jaren zeventig hebben er dus waarschijnlijk pachters op het boerderijtje gezeten, maar daar zijn de namen niet van bekend.

In 1902 koopt Jan Jannesen Winters het huis en gaat daar wonen met Geertje Lutens Lok (zie foto 3) met – uiteindelijk- 8 kinderen. Jan was los landarbeider en ging spitten, maaien, hooien, melken, sloten schonen, houtwallen onderhouden en stallen uitmesten bij wie hem maar inhuurde. Dit alles ging met de hand en zowel bij de boer als thuis, want Winters had zelf ook een stukje land, een paar koeien, een geit en een varken. Voor het maaien en hooien van het eigen land leende hij een paard van de buren. Voor het vervoer van de melkbussen spande hij de hond voor de hondenkar. Het hooi borg hij op de zolder boven de stal en, nadat die was ingestort, tussen schotten op de deelvloer. Van al dat harde werken hield hij op latere leeftijd zo’n erge reumatiek over dat z’n vrouw de pijp voor hem stopte en aanstak. Geertje verzorgde thuis de dieren, lette op de kinderen, deed de was met de hand op een wasbord, zorgde dat er eten op tafel kwam, breide sokken, herstelde de kleren, e.d. Ook de zorg voor de moestuin en het schoonmaken en inmaken van groenten berustte bij haar. Gedroogde appeltjes gingen op zolder, aardappelen in de kelder. Ze kookte het eten op een petroleumstel dat op de deel stond vlak bij de achterdeur, dus het was een eind lopen naar de eettafel.
De dochters van Jan en Geertje Winters gingen zodra ze twaalfjaar oud werden naar de boerderij van familie op Zuurbeek 3 om daar te helpen met melken en schoonmaken (en thuis een kostganger minder!).

Oude bouwtekeningen laten zien dat het boerderijtje de bekende driebeukige opbouw had.
De baanderdeuren in de rechterzijde waren maar 1.75 hoog (het dak nauwelijks opgelicht) en achteraan was een deurtje van maar 1.52 cm hoog (zie foto's 4 en 5).
De baanderdeuren gaven toegang tot een dwarsdeel met aan de overkant ook een lage deur. Van die deuren naar achteren was waarschijnlijk de koestal met helemaal links in de hoek een houten hokje dat dienstdeed als wc. In de achterwand waren een aantal mestdeurtjes dus hiervoor zullen hokken voor varkens, geit en/of jongvee zijn geweest.
Het voorhuis kende een grote kamer in het midden met twee ramen in de voorzijde met daartussen een schouw en in de zijbeuken links en rechts twee bedsteden. Onder de bedsteden aan de noordoostzijde was de kelder die bereikbaar was via twee klepdeurtjes vanaf de deel vlak naast de baanderdeuren.
In 1923 werd de boerderij verbouwd (ca 30 % aan belasting “bebouwd” erbij: verlengd of losse schuur gezet?).

In 1936 verkoopt Jan het bouwland naast en achter het huis aan Willem Gerritszn Bos die daar een huis liet bouwen (nu Zuurbeek 7) waarvoor Bos hij een goedkope hypotheek van de gemeente verkreeg met hulp van de Vereniging “Arbeid Adelt”, die arbeiders hielp om een ordentelijk “plaatsje” te kunnen verwerven. Willem Bos trouwde met Hendrikje, de jongste dochter van Jan en Geertje.

Toen in de vijftiger jaren de waterleiding werd aangelegd, maar Jan Winters wilde daar niet aan meewerken want hij had toch goed drinkwater uit de pomp op het erf. Maar aansluiting was verplicht en wie weigerde moest een boete betalen.

Na het overlijden van Jan in 1965 kwam het huis op naam van 7 kinderen en 4 kleinkinderen. In 1967 komt het huis op naam van dochter Hendrikje Winters en haar man Willem Bos die de boerderij in 1968 verkopen aan Ir. Hendrik Vissinga en diens vrouw Anneke Becude. Die passen het huis verder aan door op de deel een keuken, douche en slaapkamers in te bouwen. Zij gebruiken het huis als tweede woning.

In 1993 koopt Josje Nieuwenhuys het boerderijtje. Zij laat het jaar daarop een schuur/garage achter het huis zetten. In die schuur was o.a. plek voor haar antieke locomobiel (een Marshall 1 cylinder uit 1898). Deze stationaire stoommachine (zie foto 6) werd vroeger gebruikt om machines aan te drijven voor het dorsen van graan, het maken van pakjes hooi of het zagen van hout.
 

19. Recordnummer: 0027  
op Oldenhof
Oppen Swolle 5 -- Sint Jansklooster          
In de boerderij “op Oldenhof” zit linksboven de deur in de korte voorgevel een gevelsteen met opschrift “Jan Arend Godert de Vos van Steenwijk heeft / Den eersten steen / Gelegd den 6 Sept. 1788”. Het was de vader van deze jongeman die de boerderij liet bouwen: Jan Arent de Vos van Steenwijk, thesaurier-generaal ten tijde van de Bataafse Republiek en een tijdlang landdrost van Gelderland. Hij had tien jaar daarvoor ook het kasteel de Oldenhof grondig laten verbouwen.

De boerderij van het landgoed bestond aanvankelijk (zie plattegrond foto 2) slechts uit een koetshuis (waar o.a. een landauer, Engelse brik, en een koets met lampen van de baron of freule kwamen te staan), stallen voor de tuigpaarden met granieten voerbakken (zie foto 3), en woonruimte voor twee dagloners. Zware grenen balken liepen over de hele breedte van het gebouw.

Begin twintiger jaren van de 19e eeuw werd het boerderijgedeelte er dwars achter gebouwd (zie foto 4 en plattegrond foto 5) met ruimte voor de deel/dorsvloer met daarboven opslag van ongedorst graan, de koestal (met plaats voor 26 koeien, de voorbenen stonden in de paardenmest en de achterpoten op een stoep van klinkers, diverse vakken voor hooiopslag, een potstal voor het jongvee, een varkenshok en stallen voor de stier en de werkpaarden. Boven het varkenshok was een ruimte voor de kippen. Langs de noordzijde van het huis werd een langsdeel aangebouwd (zie “deeltje” op plattegrond foto 5) met een voordeur. De linker woonruimte werd nu ingericht voor de rosmolen voor het karnen en onder de rechter woonruimte werd een kelder gemaakt bereikbaar vanaf de nieuwe langsdeel. Naast de boerderij kwam een bakhuisje met een grote schouw. Deze inrichting van het gebouw zou tot de restauratie en verbouwing in 1972 vrijwel ongewijzigd blijven.
Volgens de rijksmonumentendienst heeft de boerderij een schilddak gedekt met Hollandse blauwe pannen. Het aangebouwde bedrijfsgedeelte was aanvankelijk rietgedekt en het riet is nu nog onder de pannen aanwezig. Rond de grote baanderdeuren in de oostzijde van de schuur is een toog van natuurstenen blokken. De boerderij heeft vensters met twaalf-ruits schuiframen en natuurstenen dorpels. De bestrating rondom is van flinten (zwerfkeien). Niet alleen de boerderij maar ook het bakhuisje (foto 6), de “hoenderhokken” (zie foto ??, de kapschuur en de duiventil hebben de status van rijksmonument. De baander-deuren aan de noordoostzijde hebben boven de deuren een balkje dat omhoog gedraaid kon worden waardoor de hooiwagens met 20 cm hogere lading naar binnen konden rijden (zie foto 6 de witte balk rechts).

Na het overlijden van Jan Arend Godert in 1824 was er een moeilijke periode: In 1825 raakte de grote overstroming ook het landgoed: in de boerderij stond het water van de Zuiderzee tot aan de ramen van de boerderij. In 1826 verkoopt broer Hendrik Anthonie Zwiers De Vos van Steenwijk het landgoed incl. de boerderij aan Anthony baron Sloet tot Oldruitenborgh. Voor de verkoop van meubilair, gereedschappen en vee wordt een veiling gehouden (Anthony wou dat blijkbaar niet hebben). Anthony Sloet was een vermogend man want erfgenaam van een rijke vader van oude adel, directeur van de Staatsloterij en kamerheer van Koning Willem I. Aan het begin van de oprijlaan staat nog een ijzeren hek waarop staat "Anno / de / Oldenhof / 1826” ter herinnering aan het feit dat toen het landgoed weer in handen kwam van de familie Sloet. Het was namelijk Gerhard Sloet die in het tweede kwart van de 17de eeuw de havezate had laten bouwen, maar na zijn overlijden was het landgoed door zijn nabestaanden verkocht. Anthony maakte een begin met de parkaanleg rond het landgoed welke door de volgende generaties verder zou worden uitgewerkt (zie foto 7).

In 1853 erft Willem Jan Philip baron Sloet van Toutenburg het landgoed inclusief de boerderij. Na zijn dood erft Antoinette Maria baronesse Sloet het. In 1894 komt het landgoed in bezit van Gerard baron Sloet van Marxveld (fabrikant). In 1920 wordt Isabella Geertruida baronesse Sloet van Marxveld (hofdame van koningin Wilhelmina m.n. belast met de opvoeding van prinses Juliana) de eigenaar. Dat maakte dat er in latere jaren weleens koninklijk bezoek was op de Oldenhof.

In 1973 erft Jan Willem Gerard Sloet van Oldruitenborgh (civiel ingenieur) het landgoed, dat inmiddels behoorlijk in verval was geraakt. Hij brengt het landgoed, inclusief boerderij, in 1976 onder in de Stichting “de Oldenhof” en het landgoed werd opengesteld voor publiek. Ir. Clara Johanna Margaretha barones van Oldruitenborgh (de dochter van Jan Willem) werd de eerste voorzitter van de Stichting (tot 2012). In 2017 verkocht de stichting de boerderij de Oldenhof in erfpacht aan de familie Jongman die er een koffie en theeschenkerij van maakten (zie foto 1).

Vanaf 1800 werd de boerderij bewoond door generaties Haasjes. De eerste generatie kwam te voet uit Rouveen met een kind van 4 jaar aan de hand, en de huisraad op een kar: Reint Jans Haasjes (1765- 1817) en Wijntje Klaasen Souman. Daarna volgden: Jan Reints Haasjes (1802- 1868) en Machteld Jans Winters; Reint Jans Haasjes (1830-1918) en Grietje Derks Winters; Jan Reints Haasjes (1873-1910) en Jentje Alberts Weijs; Reint Jans Haasjes (1899- 1971) en Hendrikje Harms Voerman. Reint was nog maar 11 jaar toen Jan overleed. Zijn moeder hertrouwde met Klaas Winters die een tijdlang de boerderij runde tot Reint (zie foto 8) het overnam en Klaas vertrok naar een boerderij aan de Schaarweg. Toen Reint 65 werd, nam zoon Albert het van hem over. Maar een paar jaar later betrok hij met z’n vrouw een boerderij in de Noordoostpolder. Toen Reint in 1971 overleed, nam zoon Harm Haasjes het pachtcontract over.
De pachtcontracten tussen de Sloets en de Haasjes hadden gewoonlijk een aantal specifieke vereisten onder andere dat de pachter brandhout, fruit, melk en eieren leverde en dat de rijtuigen van de baron en barones op de boerderij werden ondergebracht en hun rijtuigpaarden daar gestald en verzorgd werden.

De boerderij was van oudsher een gemengd bedrijf (veeteelt en akkerbouw) met personeel. Ze verbouwden o.a. haver, rogge en aardappelen op percelen dicht bij huis maar ook ver weg tot nabij Blokzijl. Het ongedorste graan lag op slieten boven de deel. De aardappelen in een kuil afgedekt met een laag grond.
Brood werd vroeger gebakken in het bakhuisje naast de boerderij, dat werd gestookt met takkenbossen. Daar werd ook de vis gebakken, slechte aardappelen gekookt tot voer voor de varkens, de was gekookt, heet water gemaakt voor de slacht van de varkens, e.d.
Het vee werd van water voorzien uit twee hand gegraven waterputten van elk zo’n 6 meter diep, één in de melkveestal en één in de paardenstal, met een houten pomp met gietijzeren zwengel en loden stijgbuis. De pomp in de paardenstal (zie foto 9) was met een ingegraven buis verbonden met de veestal, zodat als men daar niet genoeg water had dit aangevuld kon worden met water uit de paardenstal. In 1948 werd opzij van de boerderij een bron geslagen van 48 meter diep waaruit met een Norton pomp het water opgepompt werd voor het vee.
Achter en opzij van de boerderij was een mestvaalt op een vloer van keitjes. Aan de achterzijde van de boerderij tegen de rand van de grote moestuin en boomgaard stonden (en staan nog steeds) 2 varkenshokken (voor 3-4 zeugen), 2 kippenhokken (zie foto 10), een hok voor de schapen, een kapschuur / houtzagerij en een houtopslag.

In 1944 werd de Hengstenvereniging Vollenhove en omgeving opgericht. Voor vele boeren was het bezwaarlijk dat ze helemaal naar Meppel of Zwolle moesten voor een goede dekhengst. De vereniging kocht daarom zelf een stamboek dekhengst, zoals Vendelier, Borculo (zie foto 11) en d’Olivier, en stelde die ter beschikking aan de leden. Reint Haasjes van de Oldenhof werd de houder van het dekstation want die had al ervaring met de eigen dekhengst Milord. Tot ver in de vijftiger jaren kwamen jaarlijks zo’n 130 werkpaarden ter dekking naar de Oldenhof. Nakomelingen van deze hengsten, vooral die van Vendelier, behaalden op lokale keuringen vele prijzen. De opkomst van trekkers en de ruilverkaveling maakten dat werkpaarden minder nodig waren en het dekstation minder werd gebruikt en begin jaren zeventig werd beëindigd.
Reint Haasjes was ook één van de eersten die een stamboekstier ter dekking aanbood. In 1947-’48 werd in Ambt Vollenhove een fokvereniging opgericht die ging bevorderen dat boeren geen eigen stier meer hielden maar gebruik zouden maken van een stamboekstier met een goede afstamming wat betreft melkgift en vetgehalte. Later bleek dat gebruik van de stierhouderij vaak problemen opleverde met overdracht van geslachtsziekten, onder andere abortus bang, waardoor de boeren zouden gaan overschakelen op kunstmatige inseminatie en aan de stierenhouderij op de Oldenhof een eind kwam. In de 50er en 60er jaren hield de fokvereniging jaarlijks bij de Oldenhof een jongveedag, waar de jeugd hun opfokprestaties kon tonen.
Naast het dekstation voor paarden en de stierhouderij had Reint Haasjes ook een kwaliteitsbeer van de fokvereniging en diverse rammen.

Toen Reint Haasjes in 1971 overleed was de boerderij in verval geraakt. De boerderij werd eerst grondig gerestaureerd en verbouwd voordat zoon Harm Haasjes daar ging wonen en werken. Het koetshuis werd omgezet in een woonkamer en de kleine baanderdeuren die toegang gaven tot het koetshuis werden vervangen door ramen (zie foto’s 12 en 13). De voorste deur in de zijgevel, waar vroeger het paard naar binnen ging om in de karnmolen te lopen, werd verplaatst - met de gevelsteen die daar boven zat- naar de korte voorgevel en de karnruimte werd keuken (gekarnd werd er immers sinds de opening van de melkfabriek in 1897 niet meer op de boerderij) (zie foto’s 14 en 15). Ook werd er nu een “watercloset” aangelegd met een sceptictank. Op de appelzolder werden twee slaapkamers gemaakt.
Daar de boerderij “op Oldenhof” niet erg geschikt was om in te richten als een modern veeteeltbedrijf werd besloten om de 20 hectare pachtgrond in te brengen in een maatschap met zijn schoonvader Roebers, waar Harm al sinds 1959 werkte en het melkvee te houden in de nieuw gebouwde ligboxenstal aan de Noordwal en de kalveren op de Oldenhof boerderij. Maar een paar jaar later bleek het heen en terug vervoeren van het vee toch te bezwaarlijk en bouwden ze een schuur voor het jongvee op de Noordwal en verdween het vee van de Oldenhof.

In 2015 werd het pachtcontract van Haasjes door de Stichting de Oldenhof beëindigd en kwam er een eind aan een lange traditie van pachters op de Oldenhof. In 2017 verkocht de stichting de boerderij de Oldenhof in erfpacht en de nieuwe eigenaars/bewoners exploiteren daarin nu een Koffie- en Theeschenkerij en een Bed and Breakfast naast het beheren van de natuurcamping op het landgoed.
 

20. Recordnummer: 0028  

Leeuwte 38 -- Sint Jansklooster          
In 1887 geeft Annigje Siemens Klaver (weduwe van Hendrik Klaasen van der Linde, beroep landbouwster) aan haar zoon Harm(en) Hendriks van der Linde een perceel bouwland in erfpacht waarop deze een huis bouwt. Hij trouwt dan met Christine Tiemens Regelink.

Wanneer Harm in 1900 overlijdt, erft zijn zoon Hendrik Harmszn (toen nog maar 17 jaar oud, maar al als landbouwer geregistreerd) het huis samen met z’n broer Tiemen en zus Catherina (de weduwe van Hein Egberts de Olde). Naast Tiemen en Catherina wordt nu ook Catherina’s dochter, Hendrikje de Olde, als mede-eigenaar genoemd. In 1925 bouwt Hendrik een schuur achter het huis. In 1936/37 wordt de schuur aangepast. Uit latere (ver-)bouwtekeningen kan worden opgemaakt dat de boerderij in die tijd er zo uitzag (zie de plattegrond foto 2): het voorhuis bestond uit één grote kamer met een grote schouw tussen de ramen van de voorgevel, met in de ene zijbeuk een bedstee en kast met daaronder de kelder en aan de andere zijde twee bedsteden en een kast. Achter het voorhuis een dwarsdeel met spoelruimte aan de ene zijde en baanderdeuren aan de andere zijde van de deel. Daar achter de tasruimte voor het hooi en de stalling voor de paarden. Dan een houten tussenwand en daarachter de koestal met twee rijen koeplaatsen aan weerszijde van de langsdeel. In de achterzijde een deur aan het eind van elke grup om de mest weg te kunnen kruien, ook zichtbaar op foto 3 (de achtergevel). Achter de boerderij een hooiberg (zie foto 5).
In 1954 wordt de boerderij gedeeltelijk vernieuwd.
Wanneer Hendrik Harmsen in 1960 overlijdt, neemt nicht Hendrikje Heins de Olde de boerderij over samen met haar man Lucas Hendriks van Dalen. De boerderij verliest in deze jaren zijn agrarische functie (tijdens de ruilverkaveling) en in 1967 worden een keuken, doucheruimte en wc op de deel gebouwd en twee slaapkamers op de vroegere tasruimte voor hooi daarachter. Foto 4 geeft de nieuwe situatie weer en foto 5 toont het aanzicht van de boerderij dat toen ontstond.
In 1972 nemen Tom Schoorl en Alberta Immigje Bongaards de boerderij over (vanuit de ruilverkaveling) en wordt er een zolderverdieping met twee slaapkamers met vide ingebouwd. Vanaf die tijd dient de boerderij als tweede woning. In 1984 wordt de voormalige koestal ingericht als woonruimte met keuken e.d. en in het oude voorhuis komen slaapkamers (zie foto 6).
In 2019 nemen Eric Schoorl en Marjolijn van der Meij de boerderij over van zijn ouders.
 

 

Uitgebreid zoeken

Laatste wijziging binnen getoonde objecten: 11 september 2022